“De VVD zei in 1959: we gaan onder geen beding met de Partij van de Arbeid in één kabinet zitten. Komt dat je misschien bekend voor?” zegt Carla van Baalen. Ze is emeritus hoogleraar parlementaire geschiedenis, verbonden aan de Radboud Universiteit, te Nijmegen. Ze deed meerdere onderzoeken naar historische kabinetsformaties. Ontevredenheid over kabinetsformaties is in elk geval niet nieuw, zegt Van Baalen. De ondertitel van haar eerste redevoering als hoogleraar in 2003 illustreert dat: “Klagen over kabinetsformaties,” grinnikt ze.
In 1959 wonnen twee partijen de verkiezingen met een ruime voorsprong: de Katholieke Volkspartij (KVP) kreeg 49 zetels, Partij van de Arbeid 48 zetels. Middelgroot werden de VVD en twee andere confessionele partijen. Alleen telden de zetels van de drie (middel)grote confessionele partijen op tot 75, nét geen meerderheid. Er moest worden gekozen: over links met PvdA, of over rechts met VVD?
Deze ‘vrij moeizame’ formatie van kabinet-De Quay, waarin de VVD uiteindelijk coalitiepartner werd, duurde 66 dagen. Het vormen van Rutte-III, Rutte-IV en Schoof-I duurde respectievelijk 225, 299 en 223 dagen. Zijn langzame formaties echt zo’n hedendaags verschijnsel?
De Nacht van Schmelzer en de polarisatiestrategie
“Een links kabinet gaat de VVD niet mogelijk maken, daar zijn wij heel duidelijk over,” schrijft de VVD over de huidige formatie op haar website. Deze eis voor een ‘centrumrechts kabinet’ past in een traditie van formatieblokkades en partij-uitsluitingen, die ook wel ‘strategische polarisatie’ wordt genoemd.
“Voor het begin van de polarisatiestrategie moeten we terug naar 1966, de Nacht van Schmelzer,” zegt Alexander van Kessel, onderzoeker aan het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis van de Radboud Universiteit. De Nacht van Schmelzer wordt geduid als een ware politieke aardverschuiving. “Dan strandt het kabinet-Cals, een samenwerking van de KVP en de PvdA, tijdens een heel spannend nachtelijk Kamerdebat, vanwege een motie ingediend door de KVP-fractieleider Norbert Schmelzer. Een motie tegen zijn eigen partijgenoot Cals.”
Coalitiegenoot PvdA was zeer ongelukkig over die gang van zaken en de partij koos voor een nieuwe strategie: niet uitgaan van samenwerking met midden en rechts, maar inzetten op een duidelijk linkse koers. Het was het begin van een periode van strategische polarisatie, die tot 1982 zou duren.
“Strategische polarisatie is het zich principieel afzetten tegen de middenpolitiek en die middenpositie van de Katholieke Volkspartij, om uiteindelijk te komen tot een politiek waarin er een linkerblok is en een rechterblok,” vertelt Van Kessel. Na de oorlog profiteerden confessionele centrumpartijen als de KVP en later het CDA van brede middenkabinetten. De belofte van een expliciet links of rechts kabinet moest dat patroon doorbreken. “Zo kan de kiezer op de verkiezingsdag kiezen: Nou, zegt u het maar, wordt het links of wordt het rechts?”
‘Iemand moet ‘bewegen’, en bewegen gaat altijd moeizaam’
Eerst profileren, dan polderen
De drang om zich als partij als nadrukkelijk ‘links’ of ‘rechts’ te profileren, heeft een belangrijke invloed op kabinetsformaties: partijen sluiten elkaar bij voorbaat uit. Ter voorbeeld vertelt Van Kessel hoe het verderging na de Nacht van Schmelzer in 1966.
De linkse partijen besloten een alliantie te sluiten. PvdA, D66 en de PPR (Politieke Partij Radikalen, een voorloper van GroenLinks) stelden een gezamenlijk programma op, genaamd Keerpunt ‘72. “Oftewel, in 1972 zou alles anders en beter worden,” zegt Van Baalen over dezelfde beruchte formatie. “Ze zeiden: na de verkiezingen willen wij niet met andere partijen onderhandelen. We willen geen centrumlinks kabinet, we willen een línks kabinet.”
Links behaalde die verkiezingen echter slechts 56 zetels. Het werd een moeizame kabinetsformatie. “Er is een soort van romantisch beeld daarvan overgebleven,” reflecteert Van Kessel, “maar de puzzel was net zo ingewikkeld als nu, omdat er allerlei wensen en verkiezingsbeloftes waren die niet te matchen waren. Dus iemand moest ‘bewegen’. En dat bewegen gaat altijd moeizaam.”
Altijd moeilijke puzzels
Dus, zijn moeizame formaties iets van nu? Ja en nee. “Nederland moet altijd coalities maken en dat is heden ten dage nog moeilijker dan vroeger, maar ook vroeger was het moeilijk. De kiesdrempel is laag in Nederland, waardoor er altijd veel partijen zijn geweest. Nu zitten er vijftien in de Tweede Kamer, maar bij de verkiezingen van zowel 1971 als 1972 kwamen er ook veertien partijen in de Kamer,” zegt Van Baalen.
Dat het formeren de laatste jaren langer duurt, komt volgens Van Kessel omdat er sinds de jaren tachtig veel meer tijd en aandacht naar de inhoud gaat. Voorheen sloten partijleiders een akkoord, waarna voornamelijk de kandidaat-ministers het regeerprogramma samenstelden. Nu is de formatietafel een politieke arena, waarbij ‘elk beleidsonderdeel en elk departement uitgediscussieerd moet worden’. Daarbij kijkt de achterban via (sociale) media mee. Ten slotte is de overheid ook gewoon veel uitgebreider dan honderd jaar geleden, merkt Van Baalen op.
‘In de jaren zestig werd er geklaagd dat de uitslag te voorspelbaar was’
Daarnaast zweven veel kiezers, waardoor de samenstelling van het parlement sterk varieert. “Iedere keer wordt opnieuw bepaald: goh, wie behartigt mogelijk mijn belangen het beste? Dat zorgt ervoor dat het langer duurt,” zegt Van Kessel. Daarover zegt Van Baalen: “Je zou het ook positief kunnen duiden. Mensen kijken tegenwoordig gewoon heel goed. In de jaren zestig werd er geklaagd dat er in Nederland geen echte verkiezingen waren, want de uitslag was toch voorspelbaar.”
Landsbelang boven partijbelang
Zijn moeilijke formatiepuzzels iets wat we moeten willen veranderen? “Dat is een hele goeie,” zegt Van Baalen lachend, “want wij, Nederlandse burgers, kiezen; wij zorgen voor de verkiezingsuitslag.” Desondanks zou een bepaalde attitude politici helpen bij het formeren: “Geen kortetermijnbelang, maar landsbelang, de volgende generatie, over de eigen schaduw heen stappen.”
Als voorbeeld noemt ze Piet de Jong, minister-president van 1967 tot 1971. Als oorlogsveteraan voelde hij weinig voor partijpolitiek ‘gedoe’ op het Binnenhof. “Hij had als duikbootcommandant de wereldzeeën bevaren, schepen tot zinken gebracht, was zelf nipt aan de dood ontsnapt. Hij had een heel ruime blik.” Onder zijn commando zat voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog een kabinet zonder crises de hele rit uit. Maar De Jong en zijn leiderschap werden destijds niet zo positief ontvangen. “Bij de presentatie van zijn biografie zei De Jong, al 86 jaar oud: ‘Ik heb in het afgelopen half uur meer complimenten mogen ontvangen voor wat ik heb gedaan dan in vier jaar premierschap.’”
Eindredactie door Hasse Drewes